Ik zing het lied van mijn dag.
Ik zing de namen van wie mij nabij waren
en van de vriendschap die ik moest missen.
Ik zing de zon en de regen,
de modder aan mijn voeten,
de eelt op mijn hart.
Ik zing de sombere krantenkoppen,
de onverwachte vrolijke noot,
het onweerstaanbare ritme
van het hoopvol refrein.
Ik zing alsmaar stiller,
tot Gij zingt in mij
en mij zachtjes in slaap wiegt.